Coronavirus: geen bezoek mogelijk en spreekuren gaan niet door. Bereikbaar online en per telefoon. Meer info hier.    
 

AA 08/02

De nodige maatregelen treffen om de tegenstrijdigheid op te heffen die voortvloeit uit de gezamenlijke toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 31 van het Wetboek van internationaal privaatrecht (WIPR).

Het gebeurt dat verschillende overheden, elk in het kader van hun eigen bevoegdheden, zich moeten uitspreken over de erkenning van eenzelfde buitenlandse authentieke akte. Artikel 27 van de wet van 16 juli 2004 houdende het WIPR laat inderdaad toe dat ze allemaal onafhankelijk van elkaar, kunnen beslissen om die akte al dan niet te erkennen. Artikel 27, §1, WIPR bepaalt dat: "een[wordt] erkend zonder dat een beroep moet[...]".

Positief is dat het systeem van artikel 27 WIPR inhoudt dat de erkenning van de buitenlandse authentieke akte van rechtswege gebeurt door om het even welke overheid en zonder enige ingewikkelde procedure. Dat lijkt eenvoudig voor de aanvrager..., tenminste, zolang geen enkele overheidsdienst weigert om zijn buitenlandse akte te erkennen. Het systeem mondt in een aantal situaties immers uit in een erkenning van een buitenlandse akte door sommige Belgische overheidsdiensten, terwijl andere weigeren om dezelfde akte te erkennen.

Een ambtenaar van de burgerlijke stand kan beslissen om in de registers van de burgerlijke stand de akte over te schrijven van een in het buitenland aangegane huwelijksverbintenis tussen een Belg en een vreemdeling die in het buitenland woont. De gewijzigde burgerlijke staat wordt vervolgens ook in de bevolkingsregisters geacteerd. Daar de meeste Belgische administraties zich doorgaans steunen op de gegevens van het Rijksregister zullen zij deze partners dan ook als gehuwd aanzien; zo bijvoorbeeld, de fiscale administratie, de sociale zekerheidsinstanties, enz.

De dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) kan nadien toch weigeren om een visum 'gezinshereniging' toe te kennen aan de 'echtgenoot' die nog steeds in het buitenland verblijft. Dit gebeurt als de DVZ meent dat de akte geen gevolgen kan sorteren in de Belgische rechtsorde.

De betrokkenen kunnen deze tegenstrijdige beslissingen van de Belgische overheden meestal maar moeilijk aanvaarden en moeten bovendien zelf ook de nodige stappen ondernemen om een oplossing te vinden voor hun situatie. Bij weigering van een administratie om een buitenlandse authentieke akte te erkennen, hebben zij inderdaad de mogelijkheid om de zaak gerechtelijk in te leiden bij de Rechtbank van eerste aanleg, die als enige bevoegd is om definitief uitsluitsel te geven over de geldigheid van de authentieke akte binnen het Belgisch recht. Deze procedure, die vaak pas na maanden van onzekerheid wordt aangevat, kan soms lang aanslepen en ook de kosten kunnen oplopen. Bovendien blijkt dat een aantal rechtbanken er een verschillende lezing van het artikel 27 van het WIPR op na houden.

Nog zorgwekkender is de situatie van de vreemdelingen die als partner, op basis van een 'visum' naar België komen. Op het ogenblik van hun aankomst met dit visum heeft de DVZ gezinshereniging reeds onderzocht of alle voorwaarden daartoe vervuld zijn en is dus ook de huwelijksakte al door de DVZ erkend. De betrokken partner moet zich dan bij zijn aankomst in België aanbieden bij de gemeente om een aanvraag tot verblijf in te dienen. Na controle van de woonplaats reikt de gemeente dan in principe onmiddellijk de verblijfsvergunning uit, overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna de vreemdelingenwet genoemd).

Bij sommigen weigert de gemeente echter om de aanvragen te noteren of om ze in overweging te nemen als ze twijfelt aan de geldigheid van de huwelijksakte. Hoewel deze mensen op basis van een geldig visum gezinshereniging naar België gekomen zijn, hebben ze in dat geval ofwel helemaal geen document (als de gemeente hen mondeling meedeelt dat ze de aanvraag niet wil noteren) ofwel krijgen ze een beslissing tot weigering van in overwegingname, die evenmin een recht op verblijf opent of enig ander recht dat uit dat verblijf zou kunnen voortvloeien (recht op werk, sociale zekerheid ...). Beide houdingen zijn evenwel in strijd met de vreemdelingenwet. Die wet laat eerst en vooral in geen geval toe dat een gemeente een aanvraag niet noteert. En ten tweede kan een beslissing tot weigering van inoverweginname enkel genomen worden als de betrokkene geen gelegaliseerde huwelijksakte voorlegt. In het geval dat ons zorgen baart, legt de betrokkene een gelegaliseerde huwelijksakte voor, maar twijfelt de gemeente toch aan de geldigheid ervan en vraagt alvorens er zich definitief over uit te spreken, het advies van de Procureur des Konings.

De gemeenten rechtvaardigen hun houding als volgt. Enerzijds hebben zij op basis van artikel 27 WIPR de mogelijkheid om onafhankelijk te beslissen over de geldigheid van de voorgelegde huwelijksakte, terwijl die reeds erkend is door de DVZ. Anderzijds verbiedt artikel 31 WIPR de gemeente om een partner die België binnenkomt met een geldig visum, in te schrijven in het vreemdelingenregister zolang de gemeente zich niet zelf uitgesproken heeft over de geldigheid van die akte overeenkomstig de voorwaarden in artikel 27 WIPR. In artikel 31 WIPR staat:

?§1: Een buitenlandse authentieke akte betreffende de burgerlijke stand kan slechts worden vermeld op de kant van een akte van de burgerlijke stand, worden overgeschreven in een register van de burgerlijke stand of als basis dienen voor de inschrijving in een bevolkingsregister, een vreemdelingenregister of een wachtregister, na onderzoek van de voorwaarden bedoeld in artikel 27, §1. [...]

Als de gemeente twijfelt aan de geldigheid van een akte van de burgerlijke stand die haar voorgelegd wordt, dan stuurt ze die door naar het Parket van de procureur des Konings, dat er vaak maanden (in sommige gerechtelijke arrondissementen duurt het soms nog langer) over doet om zijn advies te geven.

§2. Dit onderzoek gebeurt door de bewaarder van de akte of van het register. De Minister van Justitie kan richtlijnen opstellen die de eenvormige toepassing waarborgen van de voorwaarden bedoeld in § 1. De bewaarder van de akte of van het register kan bij ernstige twijfel bij de beoordeling van de voorwaarden bedoeld in § 1, de akte of de beslissing voor advies overzenden aan het openbaar ministerie dat, indien nodig, aanvullend onderzoek verricht.

§3. [...] »

Zolang de gemeente het advies van het Parket niet ontvangen heeft, meent ze de vreemdelingenwet niet te kunnen toepassen op basis waarvan ze eigenlijk verplicht is om de betrokken vreemdeling in te schrijven in het vreemdelingenregister en om hem een verblijfsvergunning uit te reiken zodra zijn woonplaats gecontroleerd is. Artikel 31 WIPR verplicht de gemeente immers om de geldigheid van de huwelijksakte na te gaan en verbiedt om de partner intussen in te schrijven in het vreemdelingenregister! Omdat ze niet uit het dilemma raken, kiezen sommige gemeenten ervoor om de aanvraag tot verblijf niet te noteren, waardoor de betrokken vreemdeling in een rechteloze situatie terecht komt. De gemeenten negeren zo gewoonweg de verplichtingen die de vreemdelingenwet hen oplegt. De buitenlandse partner is dan in België zonder verblijfsvergunning, terwijl de DVZ zijn huwelijk heeft erkend!

Deze situatie schendt de grondrechten van de partners, want zo wordt meer bepaald hun recht op bescherming van het gezinsleven miskend dat gewaarborgd is door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Ze werkt bovendien ook rechtsonzekerheid in de hand en houdt een inbreuk in op het gewettigde vertrouwen.

De federale Ombudsman beveelt aan om, met het oog op de effectieve bescherming van het recht op een gezinsleven zoals voorzien in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden, de maatregelen te treffen die nodig zijn om de tegenstrijdigheid op te heffen die voortvloeit uit de gezamenlijke toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 31 van het Wetboek van internationaal privaatrecht. De buitenlandse partner die met een geldig visum 'gezinshereniging' naar België komt mag niet, eens hij in België is, in een toestand van rechteloosheid geplaatst worden.


Resultaat

Een werkgroep “Buitenlandse akten” bij het Agentschap voor de administratieve vereenvoudiging werkt aan dit onderwerp.



Bijgewerkt op 26 juni 2014